pagina 11 lente 2004

de gemeente Hengelo bestelde wagens bij de firma Van den Barg. Gaandeweg bleek echter dat er mid ­ den in het bos aan het Bornse Voet- pad geen uitbreidingsmogelijkheden waren. Bovendien was er met de komst van de Rondweg langs Delden geen ontsluitingsweg meer voor het bedrijf. Uiteindelijk werd het bedrijf naar het Deldense industrieterrein verplaatst. Daar zet Joops zoon Johan nu het carrosseriebedrijf voort. Openingstijden werkplaats Er worden nu weliswaar geen zeil- wagens of ouderwetse boerenkarren meer gemaakt, toch oogt de werk- plaatsinventaris zo authentiek, dat het lijkt alsof de wagenmaker even zijn gereedschap heeft neergelegd om kof- fie te gaan drinken in de keuken. Joop van den Barg wil de zaak in ere hou- den om jongere generaties te laten zien van wat het ambacht van zijn voorouders inhield. Zich vastleggen op openingstijden voor de oude werk ­ plaats wil Joop van den Barg echter niet: “Ik wil daar toch een beetje vrij in zijn. De mensen zien wel of we geo- pend zijn of niet. De werkplaats is doorgaans op zaterdag en zondag geo- pend of op aanvraag”. Over belang- stelling heeft Joop niet te klagen. Enkele honderden belangstellende fietsers en wandelaars bezoeken jaar- lijks zijn wagenmakerij. Terwijl hij door de oude werkplaats loopt, plukt Joop plotseling een lijstje van de wand en zegt: “Kijk eens wat een mooi stuk- je houtsnijwerk hier aan de wand hangt. Mijn vader heeft dit paardje zelf uitgesneden toen hij een jaar of veertien was. Zoiets moet je toch bewaren”! Maarten Hermanussen Gerrit Jan (zittend) en Johan Gerrit (staand) maakten een verhuiswagen. Foto ’s: Collectie J. van den Barg. Besmettelijke veeziekten anno 1744 Regelmatig worden we opgeschrikt door berichten over een of andere besmettelijke ziekte onder het vee. De afschuwelijke tonelen bij de varkenspest en de mond en klauwzeer staan iedereen nog helder voor de geest. Nu kampen we met de vogelgriep. De brief in het Huisarchief Twickel onder de bijlagen van de rentmeestersrekeningen van Philip Lodewijk Fernandes uit 1744 is dus zeer actueel. De tekst wordt onverkort in de originele vorm weergegeven. Tussen haakjes volgt een korte verduidelijking in modem Nederlands. Nieuw Placaet (verordening) van de lie Februari 1744 te Deventer, zo hier gepubliceert. Gedeputeerdens etc. in ervaring gekoomen dat de besmet(telijke) ziekte onder het Rundvee niet alleen in Holland, Westvriesland en Gelderland, maar ook in deeze Provincie zig heeft geopenbaart volgens berigt van Rigter Cramer int Gerigte van Delden, zoo ist dat wij hebben goedgevonden: l e Dat geene voerende Beester- of Perdekoopers komende uyt voor- sz(eide) Provintien z.ullen inde meijers Huyzen of Stallen koomen, op een boete van 100 g.gld. (verbod tot betreden van stallen). 2 e Dat deeze Menschen de Beeste niet mogen besigtige als onder de winds van het Beest en dat zelfsten die taxatie (op een afstand) van vier Roeden (deze maat wisselde per regio). 3 e Dat geene Joden (meestal stagers) of Kramers in Huis of Schuir zullen ingelaeten worden, op poene (boete) als voor. 4 e Dat indien eenige vremde Bedelaers etc. zig met of tegen wille (van) d’lngezetene ten Platte Lande zig hadde genagt laegert (geslapen hadden) in gen(noemde) Huyzen, nu aen stonds (aan) ‘t gericht bekend zal maeken en ‘tHoyofStroy waropzij of haere Honden geleegen hebben verbranden, op boete als booven. 5 e Dat niemand, Knegten, Maegden ofiemands huisgezin zal moogen gaen woe de ziekte heerst, op een boete van 50 g.gld. 6 e Dat de Honden op ‘t Land en de Steeden sullen vast gelegt worden, op een boete van 5 g.gld. en d’arm Jager alle Honden die losloopen (zal) dood schieten (koddebeier, veldwachter). Dat eyndelijk geen vesse (vaars) of koekalveren geslagt zullen wor ­ den nog verkogt, op 7 verbeurde van gem(elde) kalveren (en een boete) van 25 g.gld. Alles ten profijte half van de Richter en half van de aen brenger (ieder zou de helft van de boete krijgen). Het is waarschijnlijk dat deze maatregelen toch nuttig waren. De afstand tussen boerenerven was veel groter dan tegenwoordig en van intensieve veehouderij was geen sprake. Bovendien was het verkeer minimaal. H. Reynders