pagina 11 lente 2001

en goudleerbehangsels. Niet voor niets nam luitenant-admiraal Jacob III van Wassenaer Obdam verfijnd tafel- zilveren -linnen, exquise gerechten en fraaie costuums, en niet te vergeten twee ‘lakeien’, mee aan boord van zijn oorlogsschip, waarmee hij in 1665 bij Lowestoft in de lucht vloog. In een inventaris van 1613 demon- streerden de Warmonts muzikale belangstelling: in hun pas gerestau- reerde kasteel bevonden zich vier cla- vecimbels. Zoals bekend bereikte de muzikale activiteit haar top bij Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam Twickel, eerste helft 18e eeuw, wiens teruggevonden composities thans van internationaal niveau worden geacht 13) . Bij zoveel interesse en voorspoed kon verzamelwoede niet uitblijven. Die vinden we vooral bij de ongehuw- de Johan Hendrik van Wassenaer Obdam. Van hem zijn aankoop- bewijzen bewaard van enkele Rembrandts, een Frans Hals, een Jan Steen onder andere. Maar na zijn dood moesten de collectie en de bibliotheek voor een groot deel worden geveild om de financien te saneren. Tot de culturele interesses behoorde ook, zoals bij zovele geslachten, aan- dacht voor het eigen verleden. Renaissancistische gewoonten voer- den dat terug tot in de Oudheid. Zelfs ging de brave huiskapelaan van enkele van Wassenaers, Dirck Woutersz., ca. 1560, terug tot ruim 400 jaar voor de stichting van Rome: de familie zou afstammen van de oer- vorsten van de Bataven, immers de directe voorouders van de Hollanders 14) . A1 namen latere auteurs dat niet over – hun rentmeester Daniel Francoys Hagens bijvoorbeeld begint in zijn prachtige manuscript uit 1659/1660 bij 1200 15) – toch bleef iets ervan hangen in de familie- hoofden. Niet voor niets had Johan Hendrik fragmenten van de Romeinse Brittenburg voor Katwijk in zijn col ­ lectie, en werden in Huis Duiven- voorde twee Romeins gewaande stenen ingemetseld 16). Slot Optreden in aantrekkelijke politie- ke ambten, overwegend goed beheer van het materiele bezit en rechten, goede huwelijken: die golden als materiele basis voor het voortbestaan van een geslacht. Het hooghouden van de status en het voeren van de erbij behorende leefwijze waren de sociale en culturele pendanten hiervan. De lange lijnen door de geschiedenis van de Van Wassenaers laten ons zien, hoe de leden daamaar streefden en aan de gestelde eisen trachtten te voldoen. Natuurlijk: ook onder hen veroor- zaakten verkwisters financiele proble- men en deden demografische tegen- slagen takken uitsterven of goederen door vererving verloren gaan. Maar steeds bleven er takken over die het voortbestaan verzekerden. Niettemin leek in 1795 het sociale evenwicht verbroken en het einde gekomen. Willem V van Oranje week gedwongen uit naar Engeland. In zijn gevolg bevond zich Willem Lodewijk van Wassenaer Starrenburg. De afschaffing van de standenstaat maak- te een einde aan de geprivilegeerde positie van de adel, zowel in formele als materiele en sociale zin. Waren zij nu voorgoed ‘de burgers Wassenaer’ ge worden? De periode-Lodewijk Napoleon (1806-1810) deed hun kansen nog keren: adeldom werd weer ingevoerd. De tijd van koning Willem I zag daar- van zelfs een uitbreiding. Toch was dit een laatste opleving. Voor de libe- rale staatsman Thorbecke en zijn modeme, door de grondwet van 1848 ingerichte staat, was voor standen geen plaats meer. Dus schafte hij ze af, ook de adel. Althans in formele zin. Maar op het sociale en mentale vlak zou adeldom blijven voortleven, tot op de huidige dag. Wat niet wegneem dat een geslacht, dat zijn bestaan acht- honderd jaar in rechte lijn terug kan voeren, in Europa tot de uitzonderin- gen behoort. Prof, dr S. Groenveld Al molto Jlluftre Signor II Signor GIACOMO di DVVENVOORDE, Admiragho d’ Ho L LAN da, &c. tisfc pofi Da i flat- ~ ti proccllofl, Dai flat- ti procellofi Del turbido Nereo, Sgombra vn puo- co il penfler del ficto Dc- o, Sgombra vn puo- coilpcnfler dclfiero Dc- m De- o,Sgombra vnpuoco ilpenfierdelfic- roDe- Huwelijksmadrigalen van Cornells Schuyt, Leiden, 1611. Het stuk is opgedragen aan Jacob van Duvenvoorde, zich noemende Van Wassenaer. Huisarchief Twickel, inv.nr. 158. Foto: J. Mulder.