pagina 11 lente 1997

De clausule ”mits voldoende aan de nodige requisiten” hield in, dat een door de classis in Deventer aangewezen predikant de kandidaat-schoolmeester moest examineren over zijn religieuze kennis en handelen. Hij moest name- lijk behoren tot de “ware gereformeerde religie”. Zo ver- klaart op 16 april 1771 de oudste predikant van Delden, P. van der Meulen, dat Berent Dubbelink in Azelo de cate- chisatien heeft gevolgd en tot lidmaat kan worden aange- nomen 6). Vervolgens werd hij tot schoolmeester in Azelo benoemd. Aanstellingsbrieven als voor Altena zijn ook aanwezig voor Johannes Veldhuis (Azelo 1808) 7) Jan Bennink (Bentelo 1753) 8) Jan Willem van den Bovenkamp (Deldenerbroek 1828) 9) Comelis Heleenders (Deldeneresch 1829) 10) Hermen Berkedam (Wiene 1757) 1 l)Frederik Jan ter Horst (Deldenerbroek 1835) 12) Derk ter Horst (Bentelo 1806) 8) Jan Hendrik ter Horst (Bentelo 1816) 8). Ontslag Interessant zijn ook de aanstellingsbrief van Jan Satink, waarvan men hoge verwachtingen had en vervolgens zijn ontslagbrief uit 1761 13), waaruit blijkt dat deze school ­ meester toch niet aan de verwachtingen beantwoordde. Satink beleek niet te voldoen, want: “Alsoo aen ons her- haelde klagten zijn voor gekomen, dat den schoolmeester in t’ Deldener Broek Jan Zatink, zedert een geruime tijd het waameemen van sijn pligten in voorz: qualiteit genoegsa- em, in t’geheel verwaerloost, tot merkelijk nadeel van de jeugd aldaer, en wij na examinatie bevonden hebbende dat de voorz: klagten allesints gefondeert sijn, soo vinden wij ons genoodsaekt, tot afweering van het verder verval der schoole in voorz: Boerschap, aen den voorn: Zatink te doen aenseggen, dat wij hem ontslaen en dimitteeren zulx doen- de bij deese van sijn schoolmeesters Amt van het Deldener Broek en word den Marken Boode Berend ten Hage gelast deese den gemelte Zatink t’insinueeren”. Gemeentebesturen Pas nadat in de Franse tijd het onderwijs een nationale zaak was geworden en het beheer na 1811 aan de gemeen- ten werd toegewezen, trok de overheid de benoeming van schoolmeesters aan zich. Vanaf 1819 werden de markebe- sturen niet meer erkend als besturen met openbaar gezag. Dit hield in, dat de gemeentebesturen voortaan konden benoemen. In 1828, bij de benoeming van Jan Willem van den Bovenkamp in Deldenerbroek was reeds sprake van verschil in inzicht over het benoemingsrecht met de gemeente Ambt Delden. Toch heeft Twickel die aanstel- ling nog verzorgd. Ook de aanstelling van Antonius Nunnink in 1830 te Beckum geschiedde, na overleg met de schoolopziener en burgemeester van Hengelo, nog door gravin M.C. van Wassenaer Obdam. In 1834 echter, schrijft de burgemeester van Hengelo aan Gedeputeerde Staten enkele brieven met de vraag hoe hij dient te handelen bij de benoeming van een onderwijzer in Oele. Hij vermeldt dat de benoemingsrechten altijd aan de heer van Twickel hebben behoord en deze wil niet zomaar van dit historisch gegroeide recht afstand doen. Toch beslissen Gedeputeerde Staten dat, hoewel de school op markegrond en met geld van de marke is gebouwd, het onderhoud en het salaris nu voor rekening van de overheid komen en dientengevolge het benoemingsrecht aan de gemeente Hengelo toebehoort. De benoeming van school ­ meesters door Twickel vindt hiermee een einde. Scholen Behai ve bij benoemingen, blijkt het belang van Twickel ook uit de correspondentie over de plaats van de gebou- wen. Werden de eerste schooltjes op markegrond gebouwd, later komen we diverse voorbeelden tegen waar- bij Twickel grand beschikbaar stelt voor de bouw. In de vorige eeuw werd door de gemeenten Hengelo, Stad en Ambt Delden voor dit doel soms grand gekocht van, of geruild met de heer van Twickel. En dan is er nog de persoonlijke inzet voor het wel en wee van de school of de leerkracht. Hiervan wil ik twee voorbeelden vermelden: Zo heeft in 1817 gravin Marie Cornelie van Wassenaer zich tot de gouvemeur van Overijssel gewend om het tractement voor de onderwijzer in Beckum verhoogd te krijgen, daar geen sollicitanten zich meldden voor zo weinig verdiensten. Als een beslis- singjarenlang uitblijft, worden in 1829 zelfs relaties in het westen ingeschakeld om het doel te bereiken en een jaar later heeft dit resultaat en kan weer iemand worden benoemd 5). Wanneer meester Stokkers in Azelo in 1892 door zijn hoge leeftijd en gezondheidsproblemen veel moet verzui- men, wordt door de inzet van baron Van Heeckeren een tweede onderwijzer benoemd, waarvan hij de helft van de salariskosten voor zijn rekening neemt. Uit hetgeen hier vermeld is, blijkt duidelijk hoezeer de bewoners van Twickel zich betrokken voelden bij het onderwijs aan de ingezetenen van de marken en op welke wijze zij daaraan hebben bijgedragen. Noten: 1 Notulen kerkeraad 3 dec. 1690. 2 Gemeente-archief Slad Delden, oud archief nr. 194. 3 Huisarchief Twickel (H.A.T.) inv. nr. 4967. 4 R.A.O. Statenarchief, inv. nr. 4965. 5 Idem inv.nr. 4824. 6 Idem inv.nr. 4767. 7 Idem inv.nr. 4772. 8 Idem inv.nr. 4884. 9 Idem inv.nr. 4968. 10 Idem inv.nr. 4972. 11 Idem inv.nr. 5073. 12 Idem inv.nr. 4972. 13 Idem inv.nr. 4968.