pagina 11 herfst 1994

Een koolmees van heel dichtbij betrapt. Foto: D. Klevering Oude paraplu Zo stond dan al gauw een klein schuiltentje in een wei- land, waar kieviten, grutto’s, watersnippen, wulpen en scholeksters in broeden en waar koeien graasden. „Miene beeste zunt ne zo zinnig as wiej zunt” had de boer gezegd. „Pleer oew spul mor daal biej ’ n nus, vogel genog”. Het schuiltentje was een afgedankte zwarte paraplu; het gebogen handvat werd afgezaagd en de steel werd in een stukje elektriciteitspijp (dat in de grand was gedrukt) gezet. Een oude camouflage-regencape, over en om de paraplu gedrapeerd, maakte het mogelijk om een filmcamera, onzichtbaar voor achterdochtige vogel-ogen, zo dicht bij die vogels op te stellen, dat ze beeldvullend in de zoeker en …. op de film zouden komen. Maar zover was het nog niet…, nog lang niet, zoals zou blijken… De avond begon te vallen. Het gejubel van de wei- devogels verstomde, een late reiger schraapte boven het nabije bos vliegend zijn keel. Zittend achter een boom, benen in de greppel, overzag ik met de kijker het weiland. In een hoek ver links lagen twaalf koeien te herkauwen. De kieviten zaten te broeden. Ook die kievit in de buurt van de schuiltent. De schuiltent vormde dus geen verontrusting, kon ik vaststellen. Het was intussen helemaal donker geworden. Kikkers kwaakten in een ven. Een bosuil riep, en in de houtwal zong een nachtegaal…. Tevreden fietste ik naarhuis…. Nieuwsgierige koeien De volgende morgen was ik rond vijf uur bij de ingang van het weiland. Van achter een boom bij de greppel keek ik in de richting van de schuiltent. In die richting zat wel de kievit op z’n vier eieren, maar een tent was er niet…. De koeien stonden ver achter in de wei in een soort kring. Koppen naar omlaag. Binnen in die kring stond een zwarte bonte met bolle rug. De kop was eerst naar omlaag gebo ­ gen, onzichtbaar achter andere koeienlijven, maar kwam