pagina 10 winter 2006

Water komt met Sinds 1999 wonert Alma Frederiks en Erik Tijhuis bij Ellecom, een dorpje tussen Dieren en Doesburg, op de Twickelboerderij Noordingsbouwing waar Alma opgroeide. Niets wees erop, dat zij na haar opleiding aan de Sociale Academie in Zwolle en later haar vervolgstudie Algemene Sociale Wetenschappen in Utrecht terug zou keren naar de boerderij in de uiterwaarden van de IJssel. Naar de plaats waar ‘het water met golven komt’, zoals haar vader altijd zei.Jaren van weinig wateroverlast worden afgewisseld door jaren waarin het water om het erf spoelt. “Erik had altijd al interesse in het boeren- werk. In de schoolvakanties hielp hij zijn 00m op de boerderij. Mijn twee broers en zusje hadden geen interesse in de koeien," vertelt Alma. “Toen mijn vader vertelde dat hij wilde afbouwen, begon het bij mij toch te kriebelen.” Daarom gingAlma de ene helft van de week op de boerderij werken; de andere helft was zij nog maatschappelijk werkster in Zwolle. ‘s Avonds volgden zij en Erik aan het AOC Croene Welle een cursus melkveehouderij. De rest leerden ze bij en van haar ouders. In 1999 was het zo ver: Alma en Erik kozen voor het boerenleven! Haar ouders verhuis- den naar het nabijgelegen Angerlo. “Mijn vader helpt nog steeds. Vooral nu onze kinderen Luuk en Mark klein zijn, komen wij vaak niettoe aan allerlei klusjes; ‘s winters ververst hij o.a. twee keer in de week het zaagsel in de koeienboxen. Erik en ik hebben geen echte taakverdeling. We kunnen elkaar vervangen. Hij doet mis- schien meer het zware werk en ik houd de administratie bij van het jong vee, zo’n 80 stuks en van de 100 melkkoeien.” “Wij houden altijd rekening met het water,” vertelt Alma. Sinds wij hier zitten, is het waterpeil van de IJssel nog niet boven dat uit 1995 gekomen. “Toen was het 00k echt bar en boos. Met een bootje moesten mijn ouders het erf af tot ze aan de openbare weg waren, waar ze met een trekker verder konden. Je leert ermee leven. Wanneer het erom spant, volgen we dagelijks de water- standen en weten zo waar we aan toe zijn. In de winter valt het allemaal eigenlijk wel mee. De koeien staan op stal en hoefden nog nooit geevacueerd te worden. Ook in 1995 niet, hoewel het weinig scheelde. In de lente is het erger. Het gras van de eerste Een ge boerderij…. Voorjaar 1995. snede zijn we dan kwijt, dus dan moeten we voer aankopen. En zodra het mag en de grond hettoelaat, rijden we de mest uit!” Veel land in de uiterwaarden dient als foe- rageergebied voor overwinterende ganzen, waarvoor de grondgebruikers geld ontvan- gen van de overheid.“Dat is allemaal rede- lijk geregeld,” vindt Alma, “maar met de ‘overzomerende’ ganzen, zoals Nijlgans, Canadese gans en grauwe gans niet. Ze vreten zich vol en versmeren de wei; vooral stukken langs een sloot en de IJssel zijn in trek. We krijgen alleen een vergoeding als we kunnen aantonen er zelf iets tegen ge- daan te hebben. Per hectare zouden we twee vogelverschrikkers moeten plaatsen met iets akoestisch. Een kanon of een tril- lend lint! We pachten 80 hectare, dus niet echt een optie!" Spijt van hun keuze voor het boerenbedrijf hebben ze niet. Het enige nadeel is dat so ­ ciale contacten beperkt blijven. Maar dat komt meer door de combinatie bedrijf en kleine kinderen dan dat het water hen van de buitenwereld isoleert. Joan Vermeulen Alma en Erik bij de boerderij op het droge erf!