pagina 10 voorjaar 2006

Cezicht op Wassenaar, A. Rademaker (iye eeuw) De strijd om de dorpskerk van Wassenaar Te i/eel eisende katholieken hebben’t nazien In het begin van de tachtig- jarige oorlog (1568-1648) kwam een proces van protestantisering op gang. In dat kader moesten de katholieken hun kerkgebouwen overdragen aan de hervormden. In Wassenaar kwam de dorpskerk omstreeks 1580 in gebruik bij de hervormden. Die situatie duurde voort tot aan de Bataafse Omwenteling (1795), toen revolutionaire tijden aanbraken en katholieken gelijke rechten kregen. Daarmee kwam 00k het bezit van kerkgebouwen ter discussie. De grondwet van 1798 bepaalde dat de godsdienstige gemeenschap met het groot- ste aantal zielen een voorkeursrecht kreeg op het kerkgebouw. In Wassenaar was de bevolking toen voor 80% katholiek. Het was dan 00k geen wonder dat de Was- senaarse katholieken al snel aandrongen op een ‘plan van vergelijk’ met betrekking tot de kerkelijke goederen van de hervorm ­ den. De hervormden echter betoogden dat zij het kerkgebouw destijds hadden gekre- gen als ‘uitgeplunderde romp’ als gevolg van de verwoestingen in verband met het beleg en ontzet van Leiden (1573-1574), dat de herbouw van de kerk door henzelf was betaald, dat zodoende het kerkgebouw hun particulier eigendom was geworden en dat dus de katholieken hierop geen enkele aan- spraak konden maken. Op verzoek van de katholieken drong het dorpsbestuur bij de hervormden aan op bewijzen van eigen ­ dom van al hun goederen. Hulp van de kerkpatroon De hervormden vonden dat ze overvraagd werden en wonnen advies in bij Carel George graaf van Wassenaer Obdam, de toenmalige ambachtsheer van Wassenaar en tevens patroon van de hervormde kerk. Op zijn advies besloten de hervormden om een rekestte richten aan het Vertegenwoor- digend Lichaam van het Bataafse Volk, waarin ze vroegen om te bevestigen dat de commissie voldoende gegevens verstrekt had. Vermoedelijk had de graaf via zijn Haagse contacten vervolgens 00k de hand in een voorspoedige afwikkeling: het rekest en de reactie daarop van het Vertegenwoor- digend Lichaam zijn gedateerd op dezelfde dag, 20 november 1798. Dat de affaire tot de nodige spanningen leidde tussen de dorpelingen van beide ge- zindten, maar 00k tussen de hervormden onderling en tussen de hervormden en hun patroon, blijkt uit enkele voorvallen in fe- bruari 1800. Spanningen De commissie van de hervormden die de zaak in behandeling heeft, voelde zich dui- delijk bedreigd door de katholieken en zij berichtte aan haar eigen kerkmeesters ‘dat de Roomsgezinden sedert enigen tijd wederom zeer werkzaam waren geweest’ zodat zij een vernieuwden aanval [… ] tegemoet zien.’ Het leek hen daarom dienstig om alle van belang zijnde docu- menten op te bergen ‘in eene Kist, met onderscheide Slooten voorzien’ om zo ‘voortekoomen, dat in het vervolg bij het een of ander mogelijk geval deze Stukken in geen verkeerde handen geraken.’ De kerkmeesters hadden niet veel begrip voor dit verzoek, want, zo verklaarden zij, de betreffende documenten waren in een ‘daartoe zeer geschikte suffisante Kas […] geborgen, waarvan de sleutels onder ons, ofonzen Rentmeester berusten; terwijl wij de zorg over dezelve tot hier toe gehad hebbende, met alle vereischten ijver zullen continueren, en inzonderheid zullen zor- gen, dat dezelve in geen verkeerde handen geraken. De commissie nam ‘met verwondering’ kennis van de reactie van de kerkmeesters en besloot om de patroon van de kerk ‘in persoon’ over dit onderwerp te raadplegen. Er werden twee leden afgevaardigd voor een onderhoud met Carel George. Enkele dagen later rapporteerden ze aan de ove- rige commissieleden over hun bezoek, dat een nogal onverwacht verloop had gehad. Ze waren ‘niet zeer gunstig gerecipieerd’, de graaf had nadrukkelijk te kennen gege- ven dat hij ‘geen Commissie der [hervorm ­ de] Gemeente erkende, en dat als eene Nieuwigheid, als een vreemd ding aan- merkte’. Kennelijk had de graaf zijn be- komst van de revolutionaire nieuwlichte- rijen. En voorts had hij gezegd dat ‘dat Voorstel van zulk een Kist een zaak was, daar wij ons in ‘t geheel niet over behoef- den te bekommeren.’ De commissie ver- nam het verslag van haar twee leden ‘met de uiterste bevreemding’ en besloot una- niem om, ‘na een bedaarde overweeging, wat in dit geval te doen stond’, de graaf nu dan maar schriftelijk te benaderen.