pagina 10 herfst 2003

Erve Norde Wellicht is het Eysinc genoemd naar de eigenaren, van wie we in 1342 Beemt Eycync kennen, die ‘heft vercoft de katerstede to twen liven den megheden van der luttiken Nortmolen’ (Oud archief Stad Delden). Gaan we nog vroeger in de geschiedenis terug, dan komen vragen op als: wat stond Eysinc en: waar komt de naam Noordmolen vandaan? Er bestaat namelijk geen zuid- molen en ook ligt de molen niet in het uiterste noorden van de marke Deldenerech. Verder noordelijk liggen nog de erven Voortman en Bokdam. Verder heb ik eens gelezen dat Twickel ooit ‘onder Almelo te leen’ ging. Dit gegeven gevoegd bij de naam Noordmolen brengt een ouder erve in beeld dat in 1262 wordt vermeld, namelijk het in het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht vermelde Norde. In 1262 droeg Hendrik van Almelo onder andere ‘domus sue que dictur Norde iuxta delden’ in leen op aan de bisschop van Utrecht om het vervolgens in leen terug te ontvangen. De term ‘iuxta delden’ brengt Norde en Eysink bij elkaar. Misschien bleef de naam ‘Norde’ bewaard in de naam van de molen. Dat een echtpaar Van Hulscher eigenaar was van Eysink brengt door hun nauwe band met Almelo ook deze leenband mogelijk nader in beeld. huizen. Het heeft zelfs een zekere uitstraling gekregen in de omgeving, bij erven die niet aan Twickel behoren. Schuren hebben zodoende, ook net bui- ten Twickel, aan beide gevels een sterk overkragende wolfskap, geschoord door gebogen consoles. Wat de huizen betreft, sommigen hebben de houten (later bakstenen) loodrechte geveltop aan de voorzijde behouden, terwijl het nieneinde een klein dakschild of een wolfseinde heeft. Dat geldt dan vooral voor de aloude, grote erven. Erve De Vorger in Oele. Foto H. Hagens, 1964 Moderniseringen Kleinere boerderijen, vooral de vele aankopen uit de 19e eeuw, vertonen een doorsnee type, met voor en achter zulke wolfseinden. Sporadisch vond in de 19e eeuw het dwarshuis ingang, een voor de boerderij aangebouwde woning, waardoor het huis een L- of T-vormige plattegrond kreeg. De 19e eeuw was toch de eeuw van moderni ­ seringen, aanvankelijk alleen van het woongenot. Van lieverlede verdween de eeuwenoude, misschien al vanuit de prehistorie gevolgde, woonwijze van werken en wonen in een ruimte: er kwam een muur tussen woning en het bedrijfsgedeelte, de deel. Of er kwam een geheel nieuwe boerderij, zoals nog in 1964 op het erve Groot Buren. Het waren de bezitters van de grote landgoederen als Weldam, Almelo en Twickel, die ook de ‘verstening’, het vervangen van de leemwanden door baksteen. het eerst toepasten. Meestal bestond dit bij hen uit algehele baksteenbouw, ook vaak werden vaak de vakken ingevuld met steen. Op Weldam begon men hiermee, rond de eeuwwisseling van 1800. De Weldammer boerderijen hebben het best het echt Twentse karakter behouden. De grote Almelose boerde ­ rijen kregen in de loop van de 19e eeuw geheel stenen gevels met aan de top een sierlijk ornament van latwerk, waardoor ze direct herkenbaar zijn als ‘Almeloos’. Twickel onderging de invloed van de bepaling van 1760 en ook hier ver- steenden alle boerderijen, zij het dat enkele hun aloude houtskelet, het ‘vakwerk’ behielden. Maar die zijn nu ook allemaal verdwenen. Alleen Groot Avest in Oele heeft nog vak- werkrestanten in de zijgevel van de bovenkamer. In de jaren zestig viel de boerderij Rupert, een puntgaaf vak- werkhuis en nota bene een Rijks- monument! ten offer aan de uit- breidingsdrift van Stad Delden. Het Twickels boerderijverhaal past geheel en al in het kader van het Twentse. In een kort bestek kan zo’n verhaal niet meer dan oppervlakkig zijn. Het zou een goede zaak zijn, als er ruimte zou komen om alle, en zeker de historische erven van Twickel inte- graal op geschiedenis en bouw te onderzoeken en de resultaten vast te leggen. H. Hagens Nolen: E.D. Eijken. Repenorium op de Overstichtse en Ch erijsselse leenprotocollen 1379-1805. deel 2 (nrs. 164-297 Richterambt Delden). ; Het markerecht van De Lutte. Zwolle. 1877. Huisarchief Twickel. inv.nr. 2524. Literatuur: H. Hagens, Boerderijen in Twente. Utrecht. 1992.