pagina 10 herfst 1994

„Peer oew spul daal biej’n nus, want de’r bint vogel genog” Met de schuiltent en fotocamera tussen koeien om een kievit van heel dichtbij te knippen voorkomen, zoals de grote gele kwikstaart, die broedde onder de houten brug over een beek, de nachtzwaluw, die op de heide zijn merkwaardige gedrag liet zien en z’n nog merkwaardiger stemgeluid liet horen. De middelste bonte spechten, die hier broedden en de zwarte spechten, die je geheimzinnig, roerloos tegen een gladde berkenstam geklemd, nakeken als je onder de bomen liep. De ijsvogel, als een blauw juweel vlak boven het water van een beek flitsend. Of de havik, die zijn jongen voerde in de eenzaamste delen van het bos. Oud bos, met statige bomen, hoger dan ik ze op de bui- tenplaatsen achter de duinen in het Westen van Nederland ooit had gezien. Van de rentmeester van Twickel, de heer Brunt, kreeg ik al heel gauw vergunningen om te fotogra- feren en te filmen op de bezittingen van Twickel; zo’ n vier- a vijfduizend hectare bos, heide, weide akker en houtwal- len In de nazomer van 1959 had ik het geluk in Delden te gaan wonen. Van een flat vier-hoog, met drie kamers en een balkon voor en achter in een nieuwe wijk van Den Haag, was het een hele overgang naar het kleine Delden. Dat er rond en bij dat kleine Delden het uitgebreide Twickel lag wist ik wel, maar dat het zo groot en vooral zo gevarieerd was, kwam als een prettige verras- sing. Dick Klevering Al snel leerde ik in Delden een paar vogelliefhebbers kennen. Met hen ging ik te voet en vaker nog op de fiets richting Beckum, Azelo of Wiene, om er vogels waar te nemen, die in het Westen van Nederland niet of nauwelijks Voor hetfotograferen van deze kievit werd de eerste schuilhut opgeofferd. Foto: D. Klevering